Nu 12 mei, de Dag van de Verpleging dichterbij komt, denk ik terug aan de periode dat ik zelf nog op een zorgboerderij werkte. ’s Ochtends begon mijn dienst altijd met hetzelfde ritueel: Ik hing mijn foto op, zodat bewoners wisten wie hen die dag zou begeleiden. Daarna sloop ik op mijn sneakers de trap op, zoekend naar treden die niet kraakten. Bijna boven sprong een fel licht aan. Ik liep een smalle gang door, waar achter de meeste deuren stilte hing, op een enkele snurker of vroege toiletganger na.
Tijdens één van deze diensten dacht ik aan Florence Nightingale. Ik had een artikel over deze beroemde ‘Lady with the lamp’ gelezen. Tijdens de Krimoorlog werkte zij in het militaire hospitaal van Scutari, nu Usküdar. Deze plaats lag op de Aziatische oever van Istanbul, recht tegenover de oude stad. Nightingale vocht daar voor meer orde en hygiëne en dit was het begin van de moderne verpleegkunde.
In die tijd hadden veel kunstenaars Nightingale nog nooit ontmoet. Zij baseerden zich op verhalen die in de loop der tijd, door overlevering hun eigen leven waren gaan leiden. In boeken kwam ik illustraties tegen die duidelijk geromantiseerd waren. Met die voorstelling in mijn achterhoofd liep ik vorig jaar in Londen langs haar standbeeld. Het kunstwerk, gemaakt door Arthur George Walker en in 1915 onthuld, toont Nightingale in een rustige, bijna verheven houding. Haar lamp straalt een sfeer van zacht licht, stilte en troost uit.
Ook sommige publicaties, zoals de brief van tijdgenoot John McDonald, droegen bij aan dit gekleurde verhaal. In 1855 beschreef hij haar in The Times als volgt:
“She is a ‘ministering angel’ without any exaggeration in these hospitals, and as her slender form glides quietly along each corridor, every poor fellow’s face softens with gratitude at the sight of her. When all the medical officers have retired for the night and silence and darkness have settled down upon those miles of prostrate sick, she may be observed alone, with a little lamp in her hand, making her solitary rounds.”
Deze woorden hadden weinig te maken met Nightingales dagelijkse realiteit: overvolle ziekenzalen onder erbarmelijke omstandigheden. Bovendien droeg zij ook geen olielamp, maar een eenvoudige Turkse fanoes, een papieren lantaarn die bitter weinig licht gaf.
We kunnen een eerlijker beeld van Nightingale krijgen omdat zij in een tijd leefde waarin de fotografie volwassen werd. Zij is één van de vroegste historische figuren van wie meerdere foto’s bestaan. Het portret dat William Edward Kilburn rond 1856 van haar maakte, toont haar in een donkere jurk met kanten details, het haar in een strak gebonden bonnet. Haar blik is gefocust en kalm. Ik wilde begrijpen wie zij werkelijk was, waar haar enorme toewijding vandaan kwam en waarom ik dat in de zorg nooit zo intens had gevoeld.
Uit die zoektocht ontstond deze blog. Terwijl ik me verder in haar leven verdiepte, kwamen herinneringen boven aan drukke, maar gezellige momenten — zoals aan de ontbijttafel met de cliënten. Dan gaf ik Lise een knikje dat zij de ochtendspreuk mocht zeggen. En terwijl ieder zijn eigen brood smeerde en de pindakaas en hagelslag van hand tot hand gingen, genoot ik van hun reacties op elkaar. “Slaapkop” mompelde Rick tegen Peter. “Oliebol” reageerde deze. Ik deelde pilletjes en poeders uit en corrigeerde hier en daar: “Niet zo hard schreeuwen.” “Moet jij geen bretels aan je broek?” “Leg die knuffel nou eens weg.” “Lise, help jij Emma eens met haar schort.” Ik voelde hoe verschillend de cliënten konden zijn in wat zij nodig hadden – de één een grapje, de ander wat houvast — ieder met zijn eigen gevoeligheden en weerloze kanten.
Kijkend naar de tijd van Nightingale valt op hoe vooruitstrevend zij over deze kwetsbaarheid dacht. Mensen met een verstandelijke beperking — destijds in de gangbare medische termen ‘imbeciles’, ‘idiots’ en ‘feeble minded’ genoemd — zag zij als zieken die bescherming nodig hadden. Dat was uitzonderlijk in een tijd waarin zij meestal terechtkwamen in primitieve ziekenzalen van workhouses — instellingen voor armen die onder de Poor Law waren opgericht. Opmerkelijk is hoe kwetsbaar Nightingale zelf op een portret is vastgelegd door Claudius Erskine Goodman. Hierop zien we haar in profiel, met kort los haar en zonder bonnet. Waarom het haar kort was, blijft onderwerp van discussie. De omstandigheden in Scutari waren zwaar: sommige bronnen noemen periodes van hoge koorts waardoor het haar om medische redenen kort moest worden gehouden, andere verwijzen naar de slechte hygiëne en luizenplagen in de overvolle zalen. In zijn artikel Florence Nightingale: The mysteries behind her iconic photographs suggereert fotohistoricus Denis Pellerin dat hier misschien een praktische overweging meespeelde; zokon een schilder haar hoofd beter bestuderen. Al deze verklaringen klinken aannemelijk.
Een realistischer beeld van Nightingale komt echter niet alleen uit de fotografie. Alexis Soyer, de chef-kok die in 1855 door de Britse regering naar de Krim werd gestuurd om de legerkeukens te verbeteren, werkte daar met haar samen. In zijn boek Soyer’s Culinary Campaign uit 1857 beschreef hij haar als volgt:
“She is rather high in stature, fair in complexion, and slim in person; her hair is brown, and is worn quite plain; her physiognomy is most pleasing; her eyes, of a bluish tint, speak volumes, and are always sparkling with intelligence; her mouth is small and well formed, while her lips act in unison, and make known the impression of her heart – one seems the reflex of the other. Her visage, as regards expression, is very remarkable, and one can almost anticipate by her countenance what she is about to say; alternatively, with matters of the most import, a gentle smile passes radiantly over her countenance, thus proving her evenness of temper; at other times, when wit or pleasantry prevails, the heroine is lost in the happy, good-natured smile which pervades her face and you recognise only the charming woman. Her dress is generally of a greyish or black tint; she wears a simple white cap, and often a rough apron. In a word, her whole appearance is religiously simple and unsophisticated.”
Hoewel Soyer zijn bewondering voor haar niet onder stoelen of banken steekt, onderstreept hij haar eenvoud: sober gekleed en zonder behoefte aan uiterlijk vertoon.
Pellerin ziet dat net zo. In zijn artikel wijst hij erop dat Nightingale zich niet graag liet fotograferen en publieke aandacht liever vermeed. Die terughoudendheid past bij hoe zij haar werk zag: als een opdracht van God, niet als iets waarvoor ze bewonderd wilde worden. De aandacht moest naar de zorg gaan, niet naar haar gezicht.
Arts en historicus William Rendle kreeg in 1868 van Nightingale het volgende antwoord toen hij haar om een foto vroeg:
“I would send you a photograph if I had one. As you divine from this I have not. I never had one done, except once by command. I have a superstition, as far as myself am concerned, against “images made with hands and would rather leave no memorial of myself either of name or anything else but only of God, whose unworthy servant I am.”
Een helder bewijs van haar verlangen naar eenvoud is de enige geluidsopname in 1890 van haar werd gemaakt. Daarop spreekt ze haar ‘dear old comrades of Balaclava’ toe — de soldaten die zij tijdens de Krimoorlog verzorgde na de beruchte Slag bij Balaclava. De opname werd vastgelegd met de fonograaf van Thomas Edison, die als eerste geluid kon vastleggen en afspelen. We horen haar zeggen:
“When I am no longer even a memory, just a name, I hope my voice may perpetuate the great work of my life. God bless my dear old comrades of Balaclava. Florence Nightingale.”
Haar uiterlijk was eenvoudig, haar karakter complexer. In de BBC‑documentaire ‘Florence Nightingale: Iron Maiden’ wordt ze beschreven als hard voor de mensen om haar heen. De titel suggereert ook een strengheid die de tijd waarin zij leefde misschien wel van haar vroeg — zeker voor een vrouw die iets wilde bereiken. Tussen haar leven en dat van mij ligt een tijdskloof van anderhalve eeuw, waardoor onze werelden nauwelijks te vergelijken zijn. Haar werk was baanbrekend; mijn bijdrage in de zorg was veel kleiner. Wat mij intrigeert is haar vanzelfsprekende roeping voor de zorg — een zekerheid die ik bij mezelf nooit heb gevoeld. Ook mijn zus wist al jong waar zij thuishoorde, terwijl ik vooral probeerde te begrijpen waarom ik mezelf überhaupt een rol in de zorg had toebedeeld.
In de zorg haalde ik plezier uit kleine, onverwachte momenten met cliënten. De spontane begroetingen als ik de ruimte binnenkwam. Een van hen sloeg vaak zijn grote armen om me heen met een kracht die hij niet kende en noemde mij ‘mijn grote vriendin’. Vaak schoot ik in de lach. Zoals die keer dat een collega tijdens haar nachtdienst een spoor van gekleurde hagelslag vond dat regelrecht leidde naar de kamer van Sophia. Sophia had die avond stiekem het pak in haar broek gestopt had en meegesmokkeld naar boven.
Maar het waren niet alleen dit soort momenten. Er waren de onverwachte uitbarstingen van agressie, het gepriegel met verbandjes en pleisters, het antroposofische knutselen waar ik geen handigheid in kreeg. Zo wilde Marlies tijdens een avonddienst vilten. Ik volgde de stappen zoals ze beschreven stonden: plukjes wol natspuiten, zeep erover, wrijven. Bij sommige begeleiders werd het een kleedje; bij mij viel het steeds weer uit elkaar, alsof het zich wilde losmaken van mijn begeleiding.
Soms werd ik moe van het rumoer om me heen, alsof er nergens nog een stukje stilte bestond. Tijdens dagdiensten zocht ik een plekje om pauze te houden. De eetzaal zat vol, de keuken zat vol, de gang zat vol — overal begeleiders en cliënten. Ik overwoog op de vliering te gaan zitten, maar zelfs daar zaten cliënten sokken op te vouwen. Ook als ik naar buiten liep, lukte het niet. Eens wilde ik in het parkje bij de hoeve een half uurtje schrijven, tot een cliënt mij zag, vlak voor me bleef staan en zijn voet naar voren schoof — zonder woorden, maar wel duidelijk. Mijn concentratie was weg, maar zijn veter zat weer perfect.
Toen brak mijn laatste werkdag aan. Ik liep naar mijn fiets. Collega Els wachtte op het taxibusje dat de cliënten naar huis zou brengen. “Dit was het dan,” zei ik. Het klonk luchtiger dan ik me voelde. Els vroeg wat ik dan wél wilde gaan doen, en voordat ik er erg in had, sprak ik het uit: “Schrijven!” Dus laat ik maar eens uitzoeken waar dit verlangen vandaan komt. Misschien begin ik bij de Brontë‑zusters, tijdgenoten van Florence Nightingale. Ik vraag me af of schrijven voor hen vanzelfsprekender was dan het uitoefenen van een ‘respectabel’ beroep, of dat het voor hen net zo’n sprong in het onbekende was als voor mij. Wat ik ontdekte toen ik me in hun verhaal verdiepte, verraste me meer dan ik had verwacht.

